“Wij hebben het mooiste vak van de wereld.” Ik hoorde het laatst op een beurs en in een meeting. Je hoort het zo vaak; in de keuken, op het terras, na een lange dienst als iedereen nog even uitblaast. Er zit iets in, het is een vak van mensen. Van betekenis. Van direct contact, creativiteit, improvisatie, energie. Je maakt elke dag een verschil in iemands ervaring - hoe klein of groot ook - je maakt herinneringen.
Maar toch wringt er iets. Want terwijl wij dat vol overtuiging blijven zeggen lijken steeds minder mensen het met ons eens. Vooral jonge mensen haken sneller af (lees hier) Ze komen, draaien een tijdje mee, en dan… dan kiezen ze iets anders. Iets met meer regelmaat. Meer zekerheid. Misschien gewoon iets waar ze wél zichzelf kunnen zijn?
Hoe vaak hebben we het in de horeca nog over 'handjes' 'We hebben nog wat handjes nodig voor het weekend'. 'We zoeken handjes voor het terras'. Het klinkt onschuldig en praktisch. Maar als je er even bij stilstaat, is het best wel pijnlijk. Want handjes … dat zijn geen mensen. Dat zijn hulpmiddelen of dingen.
Wat hier gebeurt - klinkt zwaar - is objectivering. Dat wil zeggen: iemand herleiden tot zijn functie. Tot wat hij doet, in plaats van wie hij is. En dat gebeurt vaker dan we denken. Zeker bij nieuwe medewerkers. Ze worden ingeroosterd, ingezet, afgebeld of doorgeschoven. Zonder echt gesprek, zonder erkenning. En dan zijn we verbaasd dat ze zich niet verbonden voelen.
Maar 'Vroeger klaagde niemand. Je werkte gewoon hard. Punt'. Vroeger investeerde je ook 25 uur per week extra in jezelf. Vroeger …. dat klopt. En vroeger werkte het misschien ook zo. Maar de wereld is veranderd en jongere generaties groeien op met andere normen over werk. Ze willen impact, maar tegelijkertijd óók balans. Ze willen leren, maar niet ten koste van alles. En vooral: ze willen gezien en gewaardeerd worden als mens. Dat is geen onredelijke eis. Dat is gewoon normaal.
In mijn boek Meesterlijk Gastvrij (2024) noem ik het sociale waardigheid. In de kern is het heel eenvoudig. Het gaat over: je gezien voelen als persoon, niet alleen als werknemer; serieus genomen worden in wat je bijdraagt; eerlijke kansen krijgen om te groeien en respect ervaren - van leidinggevenden gasten én collega’s. Misschien wel de dingen die we onze gasten ook willen geven. Alleen daar schort het intern nog weleens aan. Zeker als het druk is, of als er personeelstekort is. Dan zijn we ineens terug bij de handjes. En bij het rennen, plannen, oplossen. En dan trekken de nieuwe medewerkers zich terug. Eerst emotioneel, dan fysiek.
Ik geloof ook nog steeds dat horeca het mooiste vak van de wereld is. Maar dat betekent niet dat we blind moeten zijn voor wat beter kan. Sterker nog: wie echt van dit vak houdt, kijkt juist naar wat er beter kan. We moeten toch niet verwachten van de huidige generatie dat zij zich fysiek naar de kloten werken? We moeten beter willen voor de volgende generatie. Want uiteindelijk draait het niet om het romantiseren van het verleden, maar om het bouwen aan de toekomst. Een toekomst waarin mensen zich niet alleen inzetten voor gasten, maar waarin zij zélf ook gastvrij behandeld worden. Dus nee, laten we stoppen met praten over handjes. Laten we praten over mensen. Over wie ze zijn. Wat ze allemaal kunnen en wat ze nodig hebben.
En dan willen ze misschien ook blijven. Niet omdat het moet. Maar omdat ze het zelf voelen: dit is een plek waar ik wil zijn.